juli 2026

Krokodil

In een winkelgalerij ligt bij wijze van attractie een levende krokodil. Het dier slokt een bezoeker op en ze willen het dier opensnijden, maar de bezoeker wil dat niet. Hij wil in de krokodil blijven zitten om eindelijk eens het middelpunt van belangstelling te zijn en vanuit het dier de mensheid zijn wijsheden mee te delen. 


Daarover gaat het verhaal ‘De krokodil’ van Fjodor Dostojevski (1821-1881). Deze schrijver behoort niet tot de lachebekjes van de Russische literatuur. Denk aan zijn romans ‘Misdaad en straf’ (moord, moeilijke gesprekken, strafkamp), ‘De gebroeders Karamazov (ruzies, nog meer moeilijke gesprekken, moord) en ‘Aantekeningen uit het dodenhuis’ (de ellende van veroordeelden in een bagno). 


Humor 

Maar in dit verhaal laat hij zich van zijn humoristische kant zien door een absurdistische situatie te beschrijven, zoals de door hem bewonderde Nikolaj Gogol in 1836 had gedaan met ‘De neus’. In dat verhaal verdwijnt een neus van het gezicht van een zelfingenomen ambtenaar en het lichaamsdeel gaat een eigen leven leiden. Zo wordt het gesignaleerd als het uit een koets stapt en gekleed is in het uniform van een staatsraad, een hogere rang dan die van zijn eigenaar.


Duitser

De krokodil heeft het belachelijke koosnaampje Karlchen. De exploitant van het dier is een Duitser. Wat Dostojevski graag deed was Duitsers en joden bespotten door hun manier van spreken na te doen. “Niemand kan mijn eigen krokodil kaufen”, zegt hij. “Ik sol geen miljoen taler inkassieren foor de krokodil. Ik heb heden honderddertig taler inkassiert van het publikum, en morgen inkassier ik tienduizend taler, en later inkassier ik iederen dag honderdduizend taler. Ik wil niet verkaufen.”     


Medelijden

‘De krokodil’ zou mogelijk een satire zijn op maatschappelijke kwesties in Rusland. Dat kan zo zijn, maar bij het lezen van ‘De krokodil’ werd ik gek genoeg vooral bevangen door medelijden met het beest, dat in eenzaamheid in een miniem plasje water geacht werd het winkelend publiek te vermaken. Het paste in de toenmalige trend om wilde dieren uit verre landen te halen en ermee te pronken. 


Rilke

Het lot van de krokodil is net zo schrijnend als dat van het dier in een gedicht van Rainer Maria Rilke uit 1902/1903. Dat gaat over een panter in een Parijse dierentuin die in een te kleine kooi gek wordt. Lees en huiver: ‘Sein Blick ist vom Vorübergehn der Stäbe / so müd geworden, daß er nichts mehr hält. /  Ihm ist, als ob es tausend Stäbe gäbe / und hinter tausend Stäben keine Welt.’ 


Het citaat in bovenstaande blogpost is afkomstig uit de vertaling van ‘De krokodil’ door Madeleine Mes, opgenomen in Deel 4 van de Verzamelde Werken van F.M. Dostojevski. Uitgeverij: Van Oorschot, 2022. De foto van de krokodil is gemaakt op een tentoonstelling van kindertekeningen in Praag.

Krokodil Meer lezen »

Stoïcijns

Bij mooi zomerweer blijkt de helft van Nederland een boot te bezitten. Afgezien van wat cabriolet-eigenaren bestaat de rest van de bevolking uit losers. Dat zijn voetgangers, fietsers en gewone automobilisten die naar hun werk of naar een afspraak moeten. Zij staan te balen voor bruggen die voor plezierboten worden opgehaald. Overdrijf je niet een beetje, zegt een stemmetje, maak je toch niet zo druk!


Om de haverklap staat er een brug omhoog. “Tussen negen uur en half twaalf vanochtend hebben we de brug al 22 keer opengezet zodat het scheepsverkeer erdoorheen kan”, vertelt de brugwachter bij wie ik verhaal ga halen. Hij zit in een kantoor vanwaar hij, met zicht op grote schermen, vijf bruggen op afstand kan bedienen. Wie uit leedvermaak hoopt dat een jacht in botsing komt met een brug, komt bedrogen uit. “Wij doen de brug altijd op tijd omhoog. Dat is een kwestie van ervaring”, zegt hij. 


Relativeren
“Het komt voor dat ik op een dag een paar keer voor een brug sta te koekeloeren, heel irritant”, zegt een wachtende mede-fietser. Een ander relativeert het ongemak. “Kom op”, zegt hij. “Er is veel verkeer en we wonen in Nederland. Hier kruisen straten en water elkaar nu eenmaal op veel plaatsen, dus vooral als het mooi weer is, dan heb je dit.”


Inbinden
Wie zich staat op te winden voor een slagboom bij een brug, moet volgens de laatste dus maar inbinden. Het gebruikelijke advies dat wijze mensen daarbij geven is: maak je niet druk om dingen waar je toch geen invloed op hebt. Of dat nou het betrekkelijke kleine leed van een open brug is of het toenemend aantal buitenlanders in Nederland dat niet de moeite neemt om Nederlands te leren of de structurele verrommeling van de natuur door steeds meer bebouwing en steeds meer wegen voor steeds meer auto’s of zoiets verschrikkelijks als een oorlog in Oekraïne of het Midden-Oosten.


Grote en kleine dingen
George Groot (1942-2024) van cabaretgroep Don Quishocking vertelde over de ideale taakverdeling tussen hem en zijn vrouw. “Mijn vrouw houdt zich bezig met de kleine dingen en ik met de grote”, zo zei hij. “Mijn vrouw zegt hoe het moet met het huishouden en met de opvoeding van de kinderen, en ik zeg hoe het moet in Vietnam en in het Midden-Oosten.”


Treuzelen en niksen
Je niet opwinden over dingen waar je toch geen invloed op hebt is makkelijker gezegd dan gedaan. Er zijn wel hulpboeken voor. Zo leert het Stoïcisme een mens wel om een beetje stoïcijns te worden: feit is dat ik rustig word van het lezen van de geschriften van de Romeinse keizer-filosoof Marcus Aurelius. Verder bieden soms alleen al relativerende titels van boeken soelaas, zoals  ‘Pleidooi voor treuzelen’ van Peter Delpeut en ‘Niksen’ van Olga Mecking, over de kunst van het nietsdoen. “Niksen is geen luxe maar een noodzaak. Het geeft je namelijk tools om beter met je dagelijkse uitdagingen om te gaan”, aldus de aanbeveling.

Moeder
Zelf word ik, even terug bij die omhoog gehesen brug, vooral kalm als ik denk aan het beroemde sonnet van Martinus Nijhoff. De dichter staat bij Zaltbommel naar de brug over de Waal te kijken en hoort een stem: “Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer / kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. / Zij was alleen aan dek, zij stond bij ’t roer, / en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. / O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer. / Prijs God, zong zij, Zijn hand zal u bewaren.”

Stoïcijns Meer lezen »

Fanfare

In de Britse film ‘Brassed Off’ uit 1996 speelt de brassband van een Britse kolenmijn Rodrigo’s Concierto de Aranjuez met een adembenemende inbreng van een flugelhorn. Een van de blazers verstaat dat ‘Aranjuez’ niet goed. “Orange juice voor jou”, zegt dirigent Danny, gespeeld door Pete Postlethwaite. “We spelen nu Rodrigo’s Concierto de … Orange juice”. 


Het is onder de dreiging van de sluiting van de mijn dat de brassband repeteert. De beelden van die repetitie en beelden van in nette pakken vergaderende bazen wisselen elkaar af. Dat doet denken aan ‘The godfather’, waarin beurtelings serene scenes van een doopplechtigheid en bloedige moordpartijen te zien zijn.


Klassiek

De dreiging van een bedrijfssluiting is er ook in de Franse film ‘En fanfare’ uit 2024, waarin een klassiek dirigent een fabrieksfanfare naar een hoger muzikaal niveau tilt. In de film ‘Fanfare’ van Bert Haanstra uit 1958 is er een andere dreiging, namelijk de ruzie tussen twee rivaliserende groepen muzikanten. 


Lieder

Natuurlijk vallen er soms slagschaduwen over het plezier van musicerenden bij harmonieën, fanfares, brassbands en dweilorkesten. Bijvoorbeeld ook door actiegroepen en gemeentelijke politici met te veel tijd die vinden dat een blaaskapel die louter uit mannen bestaat nodig ook vrouwen moet toelaten. Subsidie is daarbij het chantagemiddel om deze keuzevrijheid te beknotten. Overigens zijn de meeste blaaskapellen al divers en inclusief, zoals dat heet.


Samenwerking
Ook is er wel intern gedoe zoals binnen elke willekeurige verzameling mensen. Maar wie zich met muziek bezighoudt is vaak gericht op bij elkaar passende klanken en dus op samenwerking. Wie met muziek bezig is, kan niet echt slecht zijn. “Wo man singet, laß dich ruhig nieder, / Ohne Furcht, was man im Lande glaubt; / Wo man singet wird kein Mensch beraubt: / Bösewichter haben keine Lieder”, aldus de dichter Johann Gottfried Seume (1763–1810).


Tambour

Het meest opwekkend van alle bands zijn wel de marchingbands, bands dus die, onder leiding van een tambour-maître, met blazers en een grote trom en andere trommels lopend deelnemen aan taptoes en dorpsfeesten. Er hangt blijdschap in de straat als zo’n band voorbij komt en je gaat vanzelf meemarcheren. Het is niet voor niets dat legers muziekkorpsen hadden en hebben. 

In de verte is de band al te horen, de muziek zwelt aan en later sterft die weer weg. En is het tussen twee stilten even luid geweest. 

Fanfare Meer lezen »